Legal Blog

Friday, April 04, 2014

Cessantia bij vrijwillig ontslag?

Onderbouwing wetsvoorstel ontbreekt

Enige tijd geleden is een initiatief-ontwerplandsverordening tot wijziging van de Cessantia-landsverordening ingediend. De Cessantia-Landsverordening stelt regels vast over de Cessantia-uitkering. Dit is de eenmalige ontslag-uitkering die de werkgever aan de werknemer moet betalen als de dienstbetrekking wordt beëindigd, anders dan door toedoen van de werknemer. De hoogte van de Cessantia-uitkering is afhankelijk van de lengte van het dienstverband en bedraagt: a) voor het eerste t/m het tiende dienstjaar, één weekloon per dienstjaar, b) voor het elfde t/m het twintigste dienstjaar, één en een kwart weekloon per dienstjaar; en c) voor de daaropvolgende volle dienstjaren, tweemaal het weekloon per dienstjaar. 

In de huidige Cessantia-regeling heeft de werknemer geen recht op een Cessantia-uitkering als bijvoorbeeld sprake is van (aantoonbaar) disfuntioneren, een verstoorde arbeidsrelatie die door toedoen van de werknemer is ontstaan of een ontslag op staande voet. Ook heeft de werknemer geen recht op een Cessantia-uitkering als hij zelf besluit om ontslag te nemen. Als de werknemer overigens ontslag neemt omdat de werkgever verwijtbaar heeft gehandeld (denk aan het ‘wegpesten’ van een werknemer of een verstoorde arbeidsrelatie die door toedoen van de werkgever is ontstaan) heeft hij wèl recht op een Cessantia-uitkering. Beslissend is dus niet zozeer wie de dienstbetrekking beëindigt maar door wiens ‘schuld’ of ‘toedoen’ de dienstbetrekking eindigt. 

Op basis van de ontwerp-landsverordening wordt dit principe drastisch gewijzigd en speelt de verwijtbaarheid geen rol meer. Ook werknemers die op geheel vrijwillige basis zelf ontslag nemen, krijgen, als het aan de intiatiefnemers ligt, in de toekomst een Cessantia-uitkering. Verder wordt de uitkering verhoogd voor werknemers die betrekkelijk kort in dienst zijn. De redenen hiervoor zijn niet duidelijk gemaakt.

Het uitgangspunt van een ontslagvergoeding bij vrijwillig ontslag, is op zichzelf niet nieuw. Al in de jaren tachtig gingen er vanuit vakbondskringen geluiden op om de Cessantia-uitkering verplicht te stellen bij vrijwillig ontslag. Deze uitkering zou gefinancierd moeten worden door alle werkgevers die op regelmatige basis een vooraf vastgestelde bijdrage zouden moeten storten in een fonds. Dat fonds zou deels gebruikt worden om de cessantia-aanspraak van werknemers te garanderen en deels aangewend worden om te investeren in de werkgelegenheid. Dit betekende dat de Cessantia-uitkering niet meer (alleen) als een compensatie voor inkomensverlies en het verlies van anciënniteit gezien zou moeten worden, maar als een tijdens het dienstverband opgebouwde reserve of spaarpot, die ten goed komt van de werknemer ongeacht de reden van beëindiging van het dienstverband. Destijds is het wetsvoorstel niet aangenomen, onder meer vanwege de ‘precaire sociaal-economische toestand’ van het land (de voormalige Nederlandse Antillen) en omdat dergelijke maatregelingen op sociaal-economisch terrein ‘weloverwogen’ en ‘planmatig’ zouden moeten plaatsvinden.  

De geschiedenis lijkt zich te herhalen. Vorige maand werd door de Raad van Advies een aantal kritische kanttekeningen geplaatst bij de nieuwe ontwerp-landsverordening tot wijziging van de Cessantia-landsverordening. Opgemerkt wordt dat de wetgever destijds – in de 80’er jaren - nadrukkelijk de keuze heeft gemaakt om de Cessantia-uitkering alleen toe te passen bij onvrijwillig ontslag. Als reden werd genoemd de ‘precaire sociaal-economische toestand’ van het land. De Raad lijkt het wat vreemd te vinden om zonder nadere motivering van deze oorspronkelijke bedoeling van de werkgever af te stappen  ‘terwijl Curaçao  zich nochtans in een precaire sociaal- economische en financiële toestand bevindt.’  

Ook moeten volgens de Raad van Advies de financiële gevolgen voor het bedrijfsleven èn voor het land in kaart worden gebracht. Als er namelijk niet voldoende geld in het Cessantia-fonds zit, is het land verantwoordelijk voor de aanspraken van de werknemers. Daarnaast leidt de voorgestelde verhoging van de Cessantia-uitkering volgens de Raad tot een verzwaring van werkgeverslasten in een tijd van economische mailaise terwijl de reden daarvan niet duidelijk wordt gemaakt. Met deze risico’s en financiële gevolgen wordt geen rekening gehouden in het wetsvoorstel.

De wetgever kan er natuurlijk voor kiezen om de wettelijke systematiek ingrijpend te wijzigen. Maar dergelijke wijzigingen moeten wel weloverwogen gebeuren en er moet een deugdelijke financiële onderbouwing aan ten grondslag liggen. Een dergelijke onderbouwing ontbreekt vooralsnog volledig.

Filed under: Labor Law by Annemarijke Bach Kolling.

 

 


Commenting is not available in this weblog entry.